JAMMER JOH!

Vier clean sweeps tijdens de Olympische Winterspelen! Vier keer goud, zilver en brons voor de driekleur; heeft u het gezien? VIER. Fantastisch, geweldig, chapeau. Mag ik dat zeggen? Nee, dat mag ik niet zeggen, alleen Mart Smeets mag dat zeggen, maar goed.

Jammer dat de binnenlandse en buitenlandse media daar anders over denken. Al gauw was het niet meer een verdienste van de schaatssport, maar een schande. Hoe halen de Nederlanders het in hun hoofd om zo goed te trainen, goede coaches aan te nemen, te investeren in de sport en de sport zo uitbundig te promoten? Dat kan natuurlijk helemaal niet. De Nederlandse Calvinistische Mentaliteit (NCM) had natuurlijk liever gezien dat de successen van onze Nederlandse meiden en jongens beperkt zouden blijven tot een clean sweep bij de jaarlijkse poalloap wedstrijden in Tietjerksteradeel. Ook een Franse official wist in het AD te melden dat het not done was, die clean sweeps van the Dutch. Niet goed voor de sponsoren, voor de toeschouwers en voor de sport! Wat een aperte onzin.

Het ging wel erg ver toen ook de zeer gerespecteerde Wall Street Journal vond dat de Nederlanders naast de gouden, zilveren en bronzen plak, nog een 4de medaille moesten krijgen: die van opportunisme. Hoe halen ze het in hun hoofd. Slechte verliezers. Bah.

Toch begrijp ik het wel. Amerika is het land van de onbegrensde mogelijkheden, dus ook van de onbegrensde lariekoek. Daarnaast speelt nog iets anders mee: het oerdegelijke Amerikaans protectionisme. En dat is interessant! Dit Amerikaans protectionisme is namelijk ook zeer actueel in de olijfolie wereld.

De afgelopen weken ontstond een enorme ophef over een artikel in de New York Times. In een artikel suggereert de schrijver dat zo’n beetje alle olijfolie uit Italië inferieur is en dat eigenlijk alleen de eigen (Californische) olijfolie te vertrouwen is. En hup daar springen de Californische olijfolie boeren natuurlijk bovenop met “zie je nou wel, dat hebben we altijd al gezegd!”. Trust me, elke producent die ik spreek, uit Italië, Spanje, Turkije, Japan, Tunesië, Marokko (en dus ook Californië), heeft naar eigen zeggen niet alleen de beste olijfolie ter wereld, maar de aller aller allerbeste in het universum! Ik vind het prima dat producenten dit zo voelen. Maar bestrijdt de concurrentie niet door te zeggen dat zij de aller allerslechtste olijfolie hebben. Dat is niet alleen arbitrair en flauw, maar bovenal zeer onprofessioneel. Ga uit van de kracht van je eigen product.

In NY heb ik een gesprek gehad met Eryn Balch, Vice President van de North American Olive Oil Association (NAOOA). Een organisatie die vooral de grotere buitenlandse (lees Spaanse en Italiaanse) olijfolieproducenten vertegenwoordigt. We delen beiden de passie van goede olijfolie. Daaraan zit onlosmakelijk gekoppeld het bestrijden van slechte olijfolie. Dit varieert van extra vierge olijfolie die dit predicaat niet mag hebben; inferieure olijfolie oppimpen en verkopen als premium; olijfolie verkopen waar geen druppel olijfolie in zit (maar wel zaadolie, notenolie, zonnebloemolie et cetera).

Daarom was ik blij verrast dat Eryn op dit artikel gereageerd heeft op een manier die ik niet verwachtte van een Amerikaanse. Zij veegt de vloer aan middels een ingezonden brief aan de New York Times. Hoe ze het in hun hoofd halen om alle buitenlandse olijfoliën door het slijk te halen. Natuurlijk heeft zij ook een eigen belang. De Amerikaanse afzetmarkt is enorm. Grote buitenlandse olijfolieproducten zien dit ook. Ik heb tijdens mijn NY ‘ olijfolie toer een aantal olijfoliën van grote buitenlandse ondernemingen geproefd die mijn inziens het predicaat extra vierge niet verdienen. Maar dat geldt ook voor een aantal lokale olijfoliën die ik geproefd heb. Het luistert allemaal vrij nauw.

Ik wil in reactie op de kinderachtige onsportieve houding van de WSJ de Amerikanen dan ook nog een 4de medaille geven. Die van protectionistisch flauwekul. Oh nee, dat kan niet, want dan moet je eerst goud, zilver EN brons winnen. Da’s niet gelukt. Jammer joh!

Gregor Christiaans